Ondertussen in Istanbul (3)


onkruid met peulendonker en natvisserszuurwaterpijp

Het was kutweer. Meneer liep koud, nat en underdressed door de tuinen van het Topcapi paleis. De enthousiaste SMS-jes uit het warme Hollandse hielpen zijn humeur niet. En waar waren al de eetkraampjes plots gebleven? Met een boek en veel koffie wachtte meneer betere tijden af.

Die kwamen, de profeet zij geloofd, en met jas, sjaal en toenemende honger in zijn buik zette meneer zich alsnog aan zijn straatvoedselmissie. Laat in de avond keerde hij tevreden en met een bol buikje terug naar zijn hotel. Wat een heerlijke stad.

Allereerst kocht hij, flanerend over de boulevard van de Marmarazee, een bosje onkruid, ogenschijnlijk, met peulen waarin op groene hazelnoten gelijkende vruchtjes zaten. Ze smaakten een beetje naar ongebrande pinda’s. Blijkbaar was dit straatvoedsel ook voor de gemiddelde Turk tamelijk onbekend, want meneer kreeg veel blikken. Of misschien at meneer het helemaal gewoon helemaal verkeerd en was hij het subject van achterrugs Turks gegniffel. De helft van de struik ging in de afval container want aan een pond mwoah-noten had meneer niet echt behoefte. Bovendien was hij nog maar net begonnen.
Toen waren daar de mosselen. Die had meneer enkele jaren geleden al wel eens gekocht om ermee te gaan vissen. Groot was zijn frustratie toen hij ontdekte dat de mosselschelpen gekruide rijst bevatten. Van vissen vangen kwam niet veel. Dit keer was meneer dus voorbereid op de ware inhoud van de mosselschelp. Het aanschaffen en eten is prachtig. Je gaat naast zo’n mannetje staan en zonder iets te zeggen schept hij met een soepel gebaar de rijst uit de schelp, knijpt er (veel) citroensap overheen en biedt hem je aan. Dit herhaalt zich tot je genoeg hebt gehad en dan reken je 50 YTL (€0,25) per schelp af. En het was heerlijk.
Een paar meter verder stond een dikke rij mannen rond een grillplaat. Aan de lopende band werden daar onder luid geschreeuw makreelfilets gebakken en met een hand rauwe uien op een broodje gekwakt. Een beetje dringen en 4 YTL later was meneer de gelukkige bezitter van een dergelijk broodje makreel. Tussen de talloze visser keek hij over het water en verslikte zich bijna in de ruggegraat.
Vocht is van straatverkopers moeilijker te bekomen dan eten. Maar enkele meters verderop stond zowaar een kraampje alwaar een manneke bekertjes vulde met een onduidelijk roodkleurig goedje. Dichterbij gekomen bleek hij een mengsel van augurk, zuurkool en sambal te verkopen, aangelengd met heel veel zuur zodat het op een drank leek. Lekker, vraagt u? Welnu, laten we zeggen dat wij van Wateetons de ervaring an sich belangrijker achten dan het daadwerkelijk culinair genot. Daarmee hebben we het denk ik wel een beetje samengevat. Overigens had de beker zuur een interessante sociale bijwerking. Waar meneer Wateetons als hoogblonde blauwogige Scandinavische half-god voorheen een gewillige prooi was voor Turkse restaurant hengelaars (“my friend! Where you from? Come see my restaurant? I make you very good price! Amsterdam? Kijkenkijkennietkopen!”) weken deze plots als de Rode zee uiteen nu meneer met een bekertje zuur door hun midden liep. Blijkbaar kán iemand geen buitenlander zijn als hij een dergelijk smerig goedje eet. Zuurkool als Turken-repellent, ik zie een markt voor TON-stemmers.
Onder de Galatabrug zakte hij, uitbuikend, in een fauteuil en bestelde hij thee en een waterpijp (met appeltabak, dus ook een beetje culinair). Voor hem hingen honderden lijnen waar af en toe een spartelend visje aan verscheen dat door de hengelaars op de brug binnen werd gehaald. Anderhalf uur, drie thee, zes suikerklontjes en vijf hoofdstukken later zette hij de terugtocht in. Die leidde langs een winkeltje waar hij zijn toetje haalde; twee zalige, verrukkelijke, geweldige, fantastische stukken baklava.

Meneer was volmaakt gelukkig.

MISSCHIEN OOK LEUK OM TE LEZEN, YO

+Er zijn nog geen reacties

Laat jouw reactie achter