‘Maar wat is het’-week: potje 3b


‘Krak’ zei het dekseltje. En meneer’s pols. Die zat goed vast. De kastjaren hadden de inhoud verlijmd met het deksel. Er bleef een donkerbruine ring aan de binnenzijde achter. Meneer boog naar het potje. Een vuistslag van ui deed hem wankelen. Sjalotjes, in een bruinige drap. In tweede instantie was er ook een zurige geur. Azijn. Ingemaakte sjalotjes dus. De bruinige kleur deed balsamico vermoeden, maar daar was in de geur eigenlijk weinig van te bespeuren. Meneer probeerde wat van het vocht af te gieten voor nadere analyse. Wat schetste zijn verbazing: dat lukte niet. Pas na flink schudden droop er een dikke klodder uit. Niet stroperig, eerder gelei-achtig. Onsmakelijkachtig ook wel. Azijngelei, meneer’s maag gaat er niet van knorren. Met een vork door de uiengelei heen prikkend ontdekte meneer geen andere ingrediënten. Het moet een inspiratiearme dag geweest zijn.

En toen, het proeven. Een likje van de azijngelei onthulde toch nog een andere ingrediënt: suiker. And plenty of it. De sjalotjes zelf waren zacht geworden, maar zeker niet papperig. Ze smaakten naar, tja, ui met suiker en azijn. Maar niet bedorven. Gewoon een beetje gewoontjes. Helemaal zeker weet meneer het niet. Hij vond het maar eng. Azijngelei, suiker, ui en 2003. Een dodelijke combinatie, althans in zijn hoofd. En hij had net zo’n zin in zijn weekend. Een paar kleine hapjes dus en de uien vonden, na nog even met pervers genot uitgeknepen te zijn, hun weg naar de Wateetons-vuilstort.

Share on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on Google+0Pin on Pinterest0

+ Laat een reactie achter