M.E.N.G.K.O.U.D.M.A.A.R.H.O.E.L.A.N.G.Y.O.
Dat meneer alles over worst weet wil niet zeggen dat er niks meer te leren valt. Dat M.E.N.G.en, die essentiële stap in het worst maken, die het verschil maakt tussen een rulle gehaktstaaf in een condoom vol vet en een heerlijk sappige worst, dat mengen, hoe L.A.N.G. moet dat eigenlijk precies? Lang, in ieder geval. “Als je het zat bent ben je ongeveer op de helft” zegt meneer in zijn boek en tijdens workshops. “Hahahihi. Maar, hoe lang is dat dan?” Je kunt het voelen, als semi-professionele worstmaker vertelt hij dan. Het deeg voelt elastisch, één plakkerig geheel. “Ja maar, ja maar, H.O.E. L.A.N.G. dan?!”
Meneer ging eens wat experimenteren. Hij maalde twee porties vlees van ongeveer een kilo, bestaande uit 50% kinnebakspek en 50% varkensschouder. De kruiden doen er hier niet zoveel toe, maar meneer voegde in ieder geval zout toe. Portie 1 mengde hij drie minuten krachtig met de, gehandschoende, hand. En kráchtig he, u kent meneer. Direct daarna bakte hij een stukje van 25 gram in een droge pan. Hij deed hetzelfde met portie 2, maar dan na vijf minuten krachtig (kráchtig) kneden. Portie 1 zag er na de drie minuten goed uit en voelde ook zo, lekker elastisch. De temperatuur was door het kneden gestegen van 0 naar 4 graden. Tijdens het bakken stroomde er een beetje vet uit het stukje gehakt. Portie 2 steeg in die vijf minuten van 0 naar 7 graden. Meneers mengmoeheid steeg ongeveer evenveel. Na 4 minuten en 55 seconden checkte hij of zijn stopwatch eigenlijk wel aan stond. Dat deed het, hij is gewoon een mietje. Ook dit deegje was elastisch, maar duidelijk elastischer dan portie 1. Het deeg viel minder makkelijk uit elkaar te trekken. Bij het bakken was het verschil ook zonneklaar: nagenoeg geen vetuitreding.
Winnaar!
Science zal het wel niet halen, want meneer heeft bijvoorbeeld geen zeven minuten gemengd. Of tien. Maar vijf minuten mengen levert in ieder geval een beter resultaat op dan 3 minuten mengen. Waarbij die laatste eigenlijk niet goed genoeg was naar meneer’s zin. Dat vet hoort ín die worst en ín die kransslagader.
68 cocktailrecepten in één plaatje
…en u vond de illustraties uit ‘Over Worst’ al complex? Opklikken voor maximaal effect. We drinken!
Via Geekosystem.
Buffelen
Mozzarella, dat had meneer wel zo’n beetje onder de knie, vond hij. Tijd om op te schalen naar het echte spul. Zul je net zien, buffelmelk uitverkocht bij de C1000. Eén tweet en tien minuten later wilde @buffelboerin al weten of meneer liever vijf of tien liter had. Twitter, als het niet bestond zou het uitgevonden moeten worden.
Tien liter buffelmelk, helemaal uit Groningen naar Die Hele Grote stad gebracht. Met daarbij een proefpakket buffelmozzarella, buffelricotta en buffel primo sale (hele jonge kaas, in dit geval met kruiden en wat Spaanse peper) van Alva Mozzarella. Fantastische producten, en onmiddellijk opgenomen in het assortiment van de culinaire oase van Amsterdam-Noord: Il Pecorino.
De buffelmelk was voor meneer.
Mooi spul. Helwit van kleur doordat de buffel caroteen omzet in vitamine A. Alsof je een emmer latex open maakt. Verder: anderhalf keer zoveel eiwit en twee keer zoveel vet als koemelk. En dat proef je, want de emmer stond nog niet of meneer en Mick vulden hun glazen al. Romig, maar tegelijkertijd licht was de conclusie, gedeeld door de bezoekers die een glaasje mochten meeproeven. Misschien is het iets spychisch doordat je bij een dergelijk vetgehalte vanzelf ook een dikke romige consistentie verwacht. Weet ik veel. Meneer zegt ook maar wat. Lekker is het in ieder geval. Mevrouw vond het ‘naar stal smaken’. Toch hou ik van haar. Buffelmelk schijnt trouwens ook geschikt te zijn voor lactose intoleranten, cholestorollers en mensen met zonder geluk in de liefde en een horrelvoet.
Maar je kunt er meer mee dan alleen drinken. Cappuccino maken bijvoorbeeld. Dat viel een beetje tegen. Romig, ontegenzeggelijk, maar verder weinig bijzonder. Geen stalsmaak te bekennen, hoewel mevrouw daar misschien anders over denkt. Maar die drinkt geen cappuccino.
Thuis zette meneer zich onmiddellijk aan de mozzarella. Dat begrijpt u. En dat mislukte, herhaaldelijk. Sterker nog, eigenlijk lukte het geen één keer helemaal. Er ging zeker zes liter melk aan verloren. Het zal die vitamine A zijn, of, meer waarschijnlijk, de grote hoeveelheid eiwit. Toen het eenmaal (1 x) een beetje lukte was de smaak ongekend. ‘Stal’, oordeelde mevrouw wederom, en dan weet je dat het goed zit. Het mooie van kaasmaken is dat, zelfs als het mislukt, je van het de wei nog iets anders prachtigs kunt maken: ricotta. Door de zuur geworden wei (dagje op het aanrecht laten staan) te verhitten tot 95 graden vormen de resterende eiwitten vlokken die er met een zak- of kaasdoek makkelijk uit te filteren zijn. Een kleine honderd gram ricotta wist meneer gratis en voor niks uit een liter melkrestant te halen. De structuur is wat korrelig en tegelijkertijd romig. De smaak heel zoet en vrij sterk. Meneer vond het een beetje naar stal smaken. Hij heeft het mevrouw maar niet laten proeven.
‘Over Worst’ 1936-editie
Sjoerd en meneer mogen dan wel het vetste worstboek hebben geschreven, het eerste was het niet. In 1936 al kwam ‘Het geheim van den worstmaker’ uit, van de hand van M.J. Heijeres. Dit geweldige boek van deze hipster-slager bevat onverminderd relevante vakkennis en een berg klassieke worst- en vleeswarenrecepten, maar ook ALL CAPS levenslessen, zoals ENTHOUSIASME OVERWINT ALLE MOEILIJKHEDEN en EEN MAN, DIE VEEL EN GOED LEEST, TELT VOOR TWEE. U ziet het, ook 75 jaar geleden was worst maken niks voor vrouwen.
Theo van Rensch, SVH Meesterkok en docent gastronomie aan het ROC van Amsterdam, heeft een exemplaar in bezit. Dank zij hem, en Paul Jongsma en zijn flatbedscanner kunt u ook genieten van recepten voor Amsterdamse boterhamworst en kennisnemen van het feit dat: DE GOEDKOOPSTE PROPAGANDA VOORELKE ZAAK IS EEN VROLIJK GEZICHTVAN DEN BAAS.
Download hier (14 mb)
Ook relevant: het handboek voor de slager uit 1950
Meer Wateetons Wetenschapsnieuws: nieuwe toepassing voor gebruikte nicotinekauwgom
Een kauwgombal van maken!
Via geekosystem
Cider maken
[dit artikel verscheen eerder, in afgeslankte vorm, in de Elle Eten. En in de zomer. Van 2011, Meneer mag dan hardcore zijn, ook hij zit niet in januari op een terrasje]
Het is vrijdagmiddag, je zit op een terrasje met je collega’s. De zon schijnt. Wat bestel je dan anno nu? Cider natuurlijk! Cider is namelijk de cava van 2011 (die weer de prosecco van 2010 was). De terrashit van dit jaar verslaat deze has beens zelfs op meer dan alleen hipheid. Het drankje is namelijk niet alleen heerlijk fris maar ook prettig goedkoop en het bevat weinig alcohol zodat je het weekend in kunt gaan met goedgevulde portemonnee en zonder beschamende uitspraken tegen je baas.
Cider is een soort bubbelende appelwijn, als je oneerbiedig wilt zijn. Het smaakt in ieder geval meer naar appels dan dat wijn naar druiven smaakt. Er bestaat ook cider van peren: Poiré in het Frans. Dat smaakt dan weer naar peer. Je houdt het niet voor mogelijk. Cider wordt in heel veel landen gedronken maar de grootste afnemers zijn het noord-westen van Spanje, Engeland en Normandië en Bretagne. Niet helemaal toevallig wordt het daar ook voornamelijk geproduceerd. Ondanks de 200 miljoen kilo peren en 400 miljoen kilo appels die jaarlijks in Nederland van de boom komt wordt in onze contreien vrijwel geen cider gemaakt of gedronken. Sterker nog, met een positionering net boven Jip en Janneke bubbellimonade, maar onder de Shandy heeft het hier een ronduit slechte naam. Toegegeven, het assortiment van de gemiddelde slijter geeft daar ook reden toe. Eén soort, als je mazzel hebt, ergens onderin het schap. Zo belachelijk goedkoop dat je je afvraagt waar ze de fles en kurk van betalen. Gelukkig zijn er inmiddels een aantal kleinschalige ciderimporteurs opgestaan die geweldige ciders en poirés (perenciders) uit Normandie en Engeland importeren (www.pommedor.nl, www.cidercider.nl en www.ciderwinkel.nl). Geen zoete kinderdrankjes maar mooie complexe brut en demi-sec ciders. En geen bubbels louter om de kurk zo ver mogelijk te kunnen knallen, maar een subtiele mousse. Dát is de cider die koeltjes in je glaasje moet klotsen aankomende vrijdag.
Maar er is nog een alternatief: zelf maken bijvoorbeeld.
De meeste eenvoudige manier is het bestellen van een ciderpakket bij een online brouwwinkel. Je krijgt dan een soort cideraanlengsiroop met een zakje gist en een instructie. Leuk voor een keertje, maar wel een beetje erg eenvoudig. En niet bijzonder lekker ook, kan ik uit er uit ervaring vertellen. De meest uitdagende manier is om zelf appels te persen en te laten vergisten. Maar je kunt ook appelsap vergisten. Het voordeel daarvan is dat het gepasteuriseerd is, zodat de kans op een wilde schimmel of gist die je brouwsel verpest aanmerkelijk kleiner is dan bij verse appelen. Het kan natuurlijk best, met appels. Koop circa vijf kilo appelen, liefst veel verschillende soorten door elkaar. Laat ze nog even rijpen. Hoe ouder ze worden, deste meer suikers ze bevatten. Vooral suikers van het onvergistbare type. De ellende is namelijk dat je gist (zie verderop) dooreet tot alle suiker in de fles op is. Leuk voor je koolzuur en alcoholgehalte, maar niet voor de smaak: kurkdroog. Als er ook onvergistbare suikers in je sap zitten blijft de drank enigszins zoet, terwijl er wel voldoende koolzuur en alcohol wordt aangemaakt in de fles. Rasp de appels of hak ze fijn in de keukenmachine en pers ze uit, bijvoorbeeld in een theedoek. Hatsakidee. Net echt. Maar voor het gemak gaan we nu even verder uit van appelsap.
Hoe werkt het dan verder? In appelsap (of druivensap, perensap of cola) zit suiker. Gist is daar dol op en produceert als dank alcohol en koolzuur. Zij blij, wij blij. Meer hoef je eigenlijk niet te weten.
Wat heb je nodig voor 2 flessen cider
- 2 liter appelsap
- een 2 liter plastic melkfles (supermarkt)
- een waterslot plus rubber stop van dezelfde diameter als de hals van de fles (brouwmarkt.nl)
- Een half zakje gist (brouwmarkt.nl)
- 50 gram suiker of een potje giststarter
- (een glas appelsap)
- optioneel: een mespuntje tannine (brouwmarkt.nl)
Gebruik geen goedkope appelsap uit een pak. Deze is vlak van smaak en verschrikkelijk zuur. De troebele sappen uit de supermarkt geven een smakelijker resultaat. Ik heb erg goede ervaringen met het sap van Fruitbest van (in ieder geval) de c1000. Het bevat eerder genoemde onvergistbare suikers. Het vergiste sap smaakte nog zoet, zelfs toen ik via meten (SG=1000, voor de freaks) vaststelde dat er geen suiker meer inzat. Flevosap vertrouw ik niet, dat is volgens mij kunstmatig opgeauthentiseerd want het blijft troebel, ook als je het lang laat staan. Dat kan niet. Bij Fruitbest ligt er daarentegen een heerlijk ranzig ogende laag bezinksel op de bodem van de fles.
Als gist kun je gewone broodgist uit de supermarkt gebruiken. Maar, koop liever speciale cidergisten. Die heb je al voor een paar euro bij voorgenoemde online brouwwinkel. Je zul het verschil proeven. Ik dronk ooit eens een cider van de hand van ene Sjoerd Muller, die gemaakt was met opgekweekt biergist van onderuit een flesje. Fantastisch. Kan dus ook. Breng, een dag voordat je de cider gaat maken, de appelsap in een pan met 50 gram suiker aan de kook en laat afkoelen tot kamertemperatuur. Doe de gist erbij en laat het mengsel een dagje staan. Dit heet een giststarter, die ervoor zorgt dat de gist met vliegende start aan het werk kan zodra je hem aan je sap toevoegt. Bij diezelfde brouwmarkt kun je overigens ook een potje giststarter kopen, die hetzelfde doet maar dan sneller.
Doe de sap in je fles en voeg de giststarter toe, eventueel een mespuntje tannine, en sluit af met het met water gevulde waterslot. Zo kan er wel gas uit, maar geen narigheid in. Giet, als de drank na een week of twee is ophouden met borrelen voorzichtig af in een andere fles en gooi de prut onderin (een gistkerkhof) weg. Herhaal dit tot de cider helder is. Bottel de cider in schone PET flessen of oude wijnflessen met een schroefdop. Cider of champagneflessen zijn natuurlijk ook heel geschikt. Brouwmarkt kan je helpen aan nieuwe kurken. We willen natuurlijk wel bubbels, dus doe in iedere fles nog 10 gram suiker per liter. Dat geeft de nog aanwezige gistcellen weer een kickstart. Na nog twee maanden, op de laatste mooie dag van het jaar is je cider al te ontkurken. In de zomer van 2012 is hij echter waarschijnlijk pas op z’n top. Dan niet meer in het openbaar drinken natuurlijk want tegen die tijd is cider zó 2011.
Ik opende een paar flessen zo’n vier maanden na bottelen. Eén gemaakt met appels en een met Fruitbestsap. Althans dat denk ik, ik was zo verstandig geweest de kenmerken van de inhoud met een whiteboardmarker op de fles te schrijven… De smaak was behoorlijk geweldig, de kleur mooi, en beide hadden een fijne bubbel. Net echt. Eén van tweeën was significant lekkerder dan de ander, ik meen dat het de Fruitbest was, maar voor het zelfde geld was het de ander.
Meer met
Leuk, die metworst van meneer. Maar net niet helemaal met genoeg. In zijn jaren ’50 slagersboek trof hij een metter exemplaar aan. Een worst die je maakt zonder te mengen.
- 400 gram runderlappen
- 400 gram varkens kinnebakspek
- 200 gram varkensschouder
- 25 gram nitrietzout
- 3 gram zwarte peper
- 2 gram dextrose
Het goed gekoelde vlees werd één maal gemalen met de 3 mm schijf. Om de kruiden er voorzichtig door te mengen, met een minimum aan beweging adviseert het boek er met de vuisten in te stompen. In de jaren ’50 waren slagers nog echte mannen. Maar met een kilootje vlees, en de fysiek van meneer, kneus je daarmee al snel je polsen op de bodem van de mengkom. Een beetje met de vingers prikken dan maar. Daarna ging de pasta goed aangedrukt de koelkast in, voor 24 uur. Weer zonder te mengen, of te stompen, perste meneer deze vervolgens in een kunstdarm. Twee dagen boven de verwarming in een zakje, weer koelen en aansnijden maar.
Deze methode moest in de ultieme metse rulheid resulteren. And so it did. Zo rul zelfs dat meneer er de darm niet vanaf kreeg zonder de worst aan stukken te trekken. Na een poosje oefenen bleek de ‘pleister’ methode, één snelle ruk, te werken. De worst werd pijnlijk, maar zonder schade, van zijn darm ontdaan om vervolgens bij onvoorzichtig aansnijden alsnog in elkaar te storten.
Ver-schrik-ke-lijk lekker, dat wel.
Dit is de dag
14 januari 2012: de dag waarop mevrouw Wateetons verklaart liever erwtensoep uit een zak van Unox te eten dan de zelfgemaakte van meneer.
Kijk hoe mooi meneer’s rijpingskast is
U ziet:
- één rijpingskast waar de temperatuur tussen de 12 en 13 graden schommelt
- één natte vaatdoek, hangend in een bak water. Deze zorgt voor een luchtvochtigheid van 75-80% (zonder is het rond de 65%)
- één megasalami gemaakt tijdens een workshop bij Il Pecorino, bijna 3 kilo. Te groot om op te hangen.
- één reeds gerijpte pancetta
- één reeds gerijpte guanciale
- één verse pancetta van thans 1,42 kg
Verder valt u wellicht de temperatuur- en vochtigheidsmeter (een goedkoop weerstation) op en de voeler van de thermostaat die de koelkast al naar gelang de temperatuur aan en uitschakelt. Linksboven is er tenslotte een gat waarachter een langzaam draaiende computerventilator zit. Voor de luchtverversing en circulatie.
En daar zit meneer dan hele avonden voor. Te genieten.
Grove metworst
Meneer voelt het weer een beetje kriebelen. Die drukkende drang tot worstmaken, ergens in zijn onderbuik. Bekende worsten maken, nieuwe worsten. In de afgelopen dagen maakte hij maar liefst vier keer worst: één workshop, twee demonstraties en een huisgemaakte metworst. Die laatste ging ongeveer zo. Doet u mee?
- 400 gram runderlappen
- 400 gram varkens buikspek (speklap)
- 200 gram varkensschouder
- 25 gram nitrietzout
- 3 gram zwarte peper
- 2 gram koriander
- 1 gram foelie
- 2 gram dextrose
Het rundvlees maalde hij met een fijne (2mm) plaat en al het varkensvlees grof (5 mm). Niet te veel mengen, een metworst mag een beetje rul zijn. Het geheel werd in een (ademende) kunststof darm boven de verwarming gehangen. Plastic zak er omheen voor een hoge luchtvochtigheid. Daar hing hij circa 48 uur op 23-24 graden. Na doorgekoeld te zijn in de koelkast ging het mes erin. Een fraaie snede, al zegt meneer het zelf. #hijrocktweeralseenmalle. De binding was eigenlijk een beetje te goed. Dat is niet snel het geval, behalve dus bij metworst. Wat minder lang mengen dus, om die fijne losse structuur te krijgen. De smaak was heel niet onaardig, maar had wat meer ‘oemph’ mogen hebben. Volgende keer meer kruiden. En dan te bedenken dat het recept dat hij losjes gebruikte een hálve gram foelie en evenveel koriander adviseert. Laffe bedoening daar in 1955.
Drie keer raden wat meneer zo meteen gaat doen.


















