Low en slow weekend
Afgelopen weekend bezocht meneer met Watpleegtons de Tony Stone Low and Slow barbecuecompetition. Tipje van Martijn Schimmel van Vuur en Rook. Nu heeft meneer een fijne Cobb, maar barbecuen kan hij voor geen meter. Voor de aanschaf van dit apparaat, dat hij vooral kocht omdat het er zo kek uitzag, wist meneer niet eens het verschil tussen barbecueën en grillen. Zijn Lidlsateetjes gaarde hij meestal óf op een wegwerpbarbecuetjes van diezelfde Duitse Liefde van zijn Leven óf op de elektrische barbecue (zonder deksel) van schoonouders Wateetons. Stokbrood, huzarensalade en veel shaslicksaus erbij. U krijgt een beeld.
Negenendertig vergooide jaren.
Want, damn, dat barbecueën is leuk. En wat zijn die rigs groot! En wat ziet zo’n varkentje aan het spit er smakelijk uit! Meneer raakte geïnspireerd. De rest van het weekend stond er alleen maar low and slow voedsel op het menu. Vooruit, a) geen compleet varkentje en b) ook zonder gebruik van de barbecue. Daar maakt hij namelijk geen vrienden mee bij a) dochter en mevrouw Wateetons en b) de boven en onderburen van zijn flatje in Amsterdam-Noord. Maar toch. Het zondagochtendontbijt van meneer en Watpleegtons bestond uit vier uur op ca 100 graden gegaarde ribs, met een Slap yo Daddy rub (verzoekje van pleegzoon), bestreken met Dr Pepperbarbecuesauce en een vervolgens half uurtje afgerookt op pruimenhout. Het diner was ongeveer hetzelfde, maar nu zeven uur lang gegaard, bestreken met een basis barbecuesauce en gerookt op een nogal heftige melange van beuk, turf en kruidnagel van SmookBBQ. Verrukkelijk. Meneer ziet zich deze zomer nog wel een barbecuesmoker kopen. En héél vaak naar de sportschool gaan, want het publiek op Tony Stone deed hem vermoeden dat zijn gewicht met deze nieuwe hobby wel eens heel fast heel high zou kunnen worden.
Schouder aan schouder
- Een stuk varkensschouder, een maand drooggezouten in de koelkast met 30 g nitrietzout per kilo
- Na vier uur in de rookkast, op beuk en dennennaalden. Temperatuur ca 30 graden.
- Goed ingesnoerd om (lucht)gaten weg te krijgen. Dat zijn potentiële bederfhotspots.
- Gesmolten varkensvet
- Ingesmeerd met het varkensvet
- Een oud t-shirt van mevrouw, maatje 36.
- Vlees en t-shirt
- Mummieworst – en nu een paar maanden in de rijpingskast bij 12-15 graden en 75% relatieve vochtigheid.
Een standje met een Bulgaarse
(Dit stuk verscheen eerder in gekuisdte (bedankt Elly) vorm in het leukste culiblad van Nederland: Elle Eten.)
Een warme nacht met een Griekse of Bulgaarse. Beetje roeren, of een standje, en de volgende ochtend een halve liter zure witte klodders. Yoghurt maken, ’t is net het leven. Of dat van mij in ieder geval. But seriously, wat is dat eigenlijk, yoghurt, waarom heeft het zo’n rare naam en waarom is er zo véél van? Een bezoekje aan het supermarktkoelvak levert een tas vol yogovario op: naast de bekende volle en magere bestaat er stand, roer, biogarde, bifidus, Turks, Bulgaars, Grieks of Geits, rechtsdraaiend, linksdragend en iets met LGG. En dan heb je nog de een eindeloze reeks kindervarianten met een smaakje die ik maar buiten beschouwing laat.
Ondanks de oerhollandse associatie die we hebben bij yoghurt met bruine suiker en de vlaflip ligt de oorsprong van yoghurt ergens in het midden-oosten. Het woord komt in ieder geval uit het Turks waar iets met ‘dik’ en ‘kneden’ te maken heeft. De bereiding komt, ongeacht de soort, steeds een beetje op hetzelfde neer. Je neemt warme melk, voegt er melkzuurbacteriën aan toe, even wachten: hop, yoghurt. Een Turk kan de was doen. Het verschil tussen roer en standyoghurt zit hem in het ‘even wachten’. En de ‘hop’, ook wel. Standyoghurt is het snelst klaar. Dé ontbijtkeuze voor onze jachtige tijd. Dit type wordt gemaakt door de melk te enten met melkzuurbacteriën en deze dan een uur of 2-6 te laten rijpen op 40-45 graden. Het resultaat is een stijve, brokkelige en kwetsbare yoghurt. Je schept het, in plaats van het te gieten. Het wordt dan ook industrieel gerijpt in de beker waarin jij het uiteindelijk aanschaft in de supermarkt. Roeryoghurt is de yoghurt zoals we die gewend zijn van vroeger. Die met de bruine suiker zeg maar. Je schenkt hem, vaak uit een pak. Meestal staat er helemaal geen ‘roer’ op, maar gewoon magere of volle yoghurt. Ook hier gaan er weer melkzuurbacteriën bij de warme melk, maar deze mag langer en op een lagere temperatuur rijpen, zo’n 14-18 uur bij 30 graden. Even doorroeren (ha!) en je hebt de bekende dikvloeibare, enigszins slijmerige yoghurt. Minder kwetsbaar, makkelijker in grote hoeveelheden te maken en dus aantrekkelijker voor de industrie. Vaak wordt er aan beide typen in de bereiding nog een beetje melkpoeder toegevoegd voor wat extra body. Nu weet je eigenlijk alles, want Turkse, Bulgaarse of Griekse yoghurt is niet meer dan vette stand yoghurt waaruit extra vocht verwijderd is en biogarde, bifidus, LGG en rechtsdraaiende yoghurt zijn de aanstellerige varianten met bacteriën met betwistbare gezondheidseffecten. Het mooie is, zowel roer als standyoghurt maak je eenvoudig thuis. Die benodigde melkzuurbacteriën hebben weliswaar moeilijke namen, maar je hebt ze gewoon op voorraad: elk pak yoghurt zit er vol mee. Verder heb je alleen nog melk, een oven en een kookthermometer nodig.
Kook eerst de melk gedurende tien minuten op 90 graden. Dat zorgt voor een extra stevige yoghurt straks. Laat het afkoelen tot de gewenste temperatuur (rond de 30 graden voor roer- en 45 graden voor standyoghurt) en voeg een scheutje yoghurt toe. Welke, dat maakt niet zo veel uit. Je kunt roeryoghurt maken van standyoghurt en andersom. Lekker gek. Wel merkte ik verschil in smaak tussen de verschillende entscheutjes. Zo is na een week lang experimenteren volle (koe)melk aangezuurd met een scheutje geitenyoghurt mijn absolute favoriet geworden. Stel de oven in op de juiste temperatuur en laat de aangezuurde melk al naar gelang je standjeswens daarin een avondje of een anderhalf etmaal rijpen. Even afkoelen en klaar. Als het goed plant is je yoghurt precies op tijd gereed voor het ontbijtje met die hete Griekse of Bulgaarse.
Rookworst in de volkskrant
Vandaag, 27 februari, staat er een groot artikel over rookworst in de Volkskrant. Degelijke informatie, van onder andere Paul van Trigt. Met een fotootje van Arend ten Wolde met wie meneer afgelopen maandag op het podium van het Torpedotheater van gedachte wisselde over worst, en wiens prima rookworst gisteravond op meneers bord lag. Vanavond trouwens ook. Het enige wat miste is een goed recept voor rookworst. Gelukkig hebt u meneer.
Grove rookworst, 1 kg (uit ‘het handboek voor de slager‘)
- 700 gram mager varkensvlees
- 300 gram vet spek en en kinnebakspek
- 22 gram nitrietpekelzout
- 1 g rietsuiker
- 3 g witte peper
Snij het magere varkensvlees in stukken en laat het daarna gedurende 24 uur goed doorkoelen. Doe hetzelfde met het spek. Meng de volgende dag het vlees en het spek met zout en kruiden en draai het door de 14 mm-plaat. Even doormengen en afstoppen in dunne varkensdarmen. Daarna een paar uren tot stroefdroog laten opdrogen en vervolgens gedurende 24 uur koud roken op eik of beuk. Pocheren op ca 75 graden en opeten terwijl je het Nrc leest.
Ook de consumentenbond maakt een supermarktworstgids
De consumentenbond heeft de gekookte Gelderse worst getest, met medewerking van uw één na favoriete worstmaker Paul van Trigt. De conclusie: de meeste worsten zijn identiek, op de etiketten wordt gejokt en dezelfde worst kost in de delicounter 10% meer dan in het houdbaarheidsschap. Oh ja, en ze zijn niet zo vreselijk lekker.
Zelf maken dan maar?
- 300 gram kalfsvlees (eventueel mag ook het gehalte mager varkensvlees verhoogd worden tot 650 gram)
- 350 gram mager varkensvlees
- 350 gram kinnebakspek
- 24 gram nitrietzout (vraag je slager ernaar)
- 3 gram witte peper
- 2 gram foelie
- 1 gram koriander
- 10 % ijskoud vocht of ijs
- optioneel: 2% meel.
No waste kerstfeest
Een no waste kersttipje van mevrouw Wateetons (zij leeft!), geïnspireerd door Pinterest. Neem een mandarijntje, haal de schil er in twee helften vanaf. Zorg dat dat witte flubbertje in het midden, dat je vroeger altijd opat omdat het gerucht op het schoolplein ging dat je daar blinde darmontsteking van kreeg en dus lekker thuis kon blijven, erin blijft. Giet een laagje olie in de helft met het flubbertje. Olijfolie werkte goed in huize Wateetons. Gooi de mandarijn en de rest van de olie weg. Ignite the flubber! Zet de andere helft er, eventueel kerstelijk gedecoreerd, op voor een extra feestelijk effect. Werkt ook goed met een sinaasappel, maar niet met een banaan.
Meneer maakt limoncello
Limoncello. De eenvoudigste onder de likeuren, maar oh zo lekker. Meer dan wat citroenen, suiker en heel veel alcohol heb je er niet voor nodig. En laat meneer die nu allemaal hebben. Die citroenen en suiker zijn ook voor u, man in de straat, wel aan te komen, maar heel veel alcohol kan een probleem vormen. Het gaat namelijk niet om heel veel flessen, maar om één fles met een heel hoog percentage alcohol. De limoncellomaker koopt dat bijvoorbeeld in het buitenland, 94% sterk. Dat zelfde goedje ligt ook bij de Hanos of Kweker wel, maar is daar behoorlijk aan de prijs. Zelf maken kan natuurlijk ook. Lees bijvoorbeeld het Handboek voor de Vinex-jager er eens op na (als u veel geld over heeft). Meneer zelf had een half litertje van een respectabele 80%.
Hij schilde drie citroenen, gewoon gekocht bij de Lidl. Overal zul je lezen over het belang van het gebruik van biologische citroenen, waar geen opgepoetst glanslaagje om zit. Meneer wast zijn citroenen gewoon even met wat zeep, goed afspoelen en klaar. Hij doet niet zo moeilijk. Uw afgrijzen graag in de comments. Zo doet hij trouwens ook niet zo moeilijk over het feit dat zijn Poolse, Griekse of anderszins goedkope supermarktcitroenen geen P.G.I. Sorrento citroenen zijn. En dat zijn Limoncello dus helemaal geen Limoncello mag heten. In Italië zijn ze er creatief mee: Limonello, Limoncino, etc. Enfin, niet moeilijk doen enzo. Zijn zeer dunne supermarkt citroenschillen gingen in zijn huistuinkeukenalcohol, en bleven daar een week of drie dobberen. Binnen enkele dagen werd de alcohol mooi geel. Het rook verrukkelijk. Drie wekenlater maakte meneer een suikeroplossing van ongeveer 400 gram suiker op een halve liter water (warm maken, anders kun je roeren tot je een ons weegt). Nu had meneer wel eens eerder Limoncello gemaakt, of iets dat daar voor door moest gaan. Citroenschillen in ca 40% alcohol met een flinke dot suiker erbij. Het resultaat was best te drinken, maar het was helder. En Limoncello is troebel. Heldere Limoncello is zelfs de naam Limoncino niet waardig. Daar wil zelfs meneer wel moeilijk over doen. Dat moest anders. Hij wist dat het iets te maken had met het mengen van zeer sterke alcohol met suikersiroop. Dat slaat het, via een hem onbekende reactie ‘blind’. Meneer nam de proef op de som en goot de afgekoelde suikersiroop bij de alcohol. Het resultaat ziet u in het filmpje hieronder. (Ik zal er niet veel over verklappen, maar hoera). Meneer had Limoncello. Lékkere limoncello. Ook iets te sterke Limoncello trouwens, en na wat bijmengen weer wat te zoet. De juiste verhouding alcohol en suikersiroop moet hij nog eens uitzoeken. Maar het was gelukt. Alleen die naam he.. Limonsnollo?
Cider maken
[dit artikel verscheen eerder, in afgeslankte vorm, in de Elle Eten. En in de zomer. Van 2011, Meneer mag dan hardcore zijn, ook hij zit niet in januari op een terrasje]
Het is vrijdagmiddag, je zit op een terrasje met je collega’s. De zon schijnt. Wat bestel je dan anno nu? Cider natuurlijk! Cider is namelijk de cava van 2011 (die weer de prosecco van 2010 was). De terrashit van dit jaar verslaat deze has beens zelfs op meer dan alleen hipheid. Het drankje is namelijk niet alleen heerlijk fris maar ook prettig goedkoop en het bevat weinig alcohol zodat je het weekend in kunt gaan met goedgevulde portemonnee en zonder beschamende uitspraken tegen je baas.
Cider is een soort bubbelende appelwijn, als je oneerbiedig wilt zijn. Het smaakt in ieder geval meer naar appels dan dat wijn naar druiven smaakt. Er bestaat ook cider van peren: Poiré in het Frans. Dat smaakt dan weer naar peer. Je houdt het niet voor mogelijk. Cider wordt in heel veel landen gedronken maar de grootste afnemers zijn het noord-westen van Spanje, Engeland en Normandië en Bretagne. Niet helemaal toevallig wordt het daar ook voornamelijk geproduceerd. Ondanks de 200 miljoen kilo peren en 400 miljoen kilo appels die jaarlijks in Nederland van de boom komt wordt in onze contreien vrijwel geen cider gemaakt of gedronken. Sterker nog, met een positionering net boven Jip en Janneke bubbellimonade, maar onder de Shandy heeft het hier een ronduit slechte naam. Toegegeven, het assortiment van de gemiddelde slijter geeft daar ook reden toe. Eén soort, als je mazzel hebt, ergens onderin het schap. Zo belachelijk goedkoop dat je je afvraagt waar ze de fles en kurk van betalen. Gelukkig zijn er inmiddels een aantal kleinschalige ciderimporteurs opgestaan die geweldige ciders en poirés (perenciders) uit Normandie en Engeland importeren (www.pommedor.nl, www.cidercider.nl en www.ciderwinkel.nl). Geen zoete kinderdrankjes maar mooie complexe brut en demi-sec ciders. En geen bubbels louter om de kurk zo ver mogelijk te kunnen knallen, maar een subtiele mousse. Dát is de cider die koeltjes in je glaasje moet klotsen aankomende vrijdag.
Maar er is nog een alternatief: zelf maken bijvoorbeeld.
De meeste eenvoudige manier is het bestellen van een ciderpakket bij een online brouwwinkel. Je krijgt dan een soort cideraanlengsiroop met een zakje gist en een instructie. Leuk voor een keertje, maar wel een beetje erg eenvoudig. En niet bijzonder lekker ook, kan ik uit er uit ervaring vertellen. De meest uitdagende manier is om zelf appels te persen en te laten vergisten. Maar je kunt ook appelsap vergisten. Het voordeel daarvan is dat het gepasteuriseerd is, zodat de kans op een wilde schimmel of gist die je brouwsel verpest aanmerkelijk kleiner is dan bij verse appelen. Het kan natuurlijk best, met appels. Koop circa vijf kilo appelen, liefst veel verschillende soorten door elkaar. Laat ze nog even rijpen. Hoe ouder ze worden, deste meer suikers ze bevatten. Vooral suikers van het onvergistbare type. De ellende is namelijk dat je gist (zie verderop) dooreet tot alle suiker in de fles op is. Leuk voor je koolzuur en alcoholgehalte, maar niet voor de smaak: kurkdroog. Als er ook onvergistbare suikers in je sap zitten blijft de drank enigszins zoet, terwijl er wel voldoende koolzuur en alcohol wordt aangemaakt in de fles. Rasp de appels of hak ze fijn in de keukenmachine en pers ze uit, bijvoorbeeld in een theedoek. Hatsakidee. Net echt. Maar voor het gemak gaan we nu even verder uit van appelsap.
Hoe werkt het dan verder? In appelsap (of druivensap, perensap of cola) zit suiker. Gist is daar dol op en produceert als dank alcohol en koolzuur. Zij blij, wij blij. Meer hoef je eigenlijk niet te weten.
Wat heb je nodig voor 2 flessen cider
- 2 liter appelsap
- een 2 liter plastic melkfles (supermarkt)
- een waterslot plus rubber stop van dezelfde diameter als de hals van de fles (brouwmarkt.nl)
- Een half zakje gist (brouwmarkt.nl)
- 50 gram suiker of een potje giststarter
- (een glas appelsap)
- optioneel: een mespuntje tannine (brouwmarkt.nl)
Gebruik geen goedkope appelsap uit een pak. Deze is vlak van smaak en verschrikkelijk zuur. De troebele sappen uit de supermarkt geven een smakelijker resultaat. Ik heb erg goede ervaringen met het sap van Fruitbest van (in ieder geval) de c1000. Het bevat eerder genoemde onvergistbare suikers. Het vergiste sap smaakte nog zoet, zelfs toen ik via meten (SG=1000, voor de freaks) vaststelde dat er geen suiker meer inzat. Flevosap vertrouw ik niet, dat is volgens mij kunstmatig opgeauthentiseerd want het blijft troebel, ook als je het lang laat staan. Dat kan niet. Bij Fruitbest ligt er daarentegen een heerlijk ranzig ogende laag bezinksel op de bodem van de fles.
Als gist kun je gewone broodgist uit de supermarkt gebruiken. Maar, koop liever speciale cidergisten. Die heb je al voor een paar euro bij voorgenoemde online brouwwinkel. Je zul het verschil proeven. Ik dronk ooit eens een cider van de hand van ene Sjoerd Muller, die gemaakt was met opgekweekt biergist van onderuit een flesje. Fantastisch. Kan dus ook. Breng, een dag voordat je de cider gaat maken, het glas appelsap in een pan met 50 gram suiker aan de kook en laat afkoelen tot kamertemperatuur. Doe de gist erbij en laat het mengsel een dagje staan. Dit heet een giststarter, die ervoor zorgt dat de gist met vliegende start aan het werk kan zodra je hem aan je sap toevoegt. Bij diezelfde brouwmarkt kun je overigens ook een potje giststarter kopen, die hetzelfde doet maar dan sneller.
Doe het sap in je fles en voeg de giststarter toe, eventueel een mespuntje tannine, en sluit af met het met water gevulde waterslot. Zo kan er wel gas uit, maar geen narigheid in. Giet, als de drank na een week of twee is ophouden met borrelen voorzichtig af in een andere fles en gooi de prut onderin (een gistkerkhof) weg. Herhaal deze cyclus van het laten bezinken van prut en afgieten tot de cider helder is. Dit kan enkele dagen tot weken duren. Bottel de cider in schone PET flessen of oude wijnflessen met een schroefdop. Cider of champagneflessen zijn natuurlijk ook heel geschikt. Brouwmarkt kan je helpen aan nieuwe kurken. We willen natuurlijk wel bubbels, dus doe in iedere fles nog 10 gram suiker per liter. Dat geeft de nog aanwezige gistcellen weer een kickstart. Na nog twee maanden, op de laatste mooie dag van het jaar is je cider al te ontkurken. In de zomer van 2012 is hij echter waarschijnlijk pas op z’n top. Dan niet meer in het openbaar drinken natuurlijk want tegen die tijd is cider zó 2011.
Ik opende een paar flessen zo’n vier maanden na bottelen. Eén gemaakt met appels en een met Fruitbestsap. Althans dat denk ik, ik was zo verstandig geweest de kenmerken van de inhoud met een whiteboardmarker op de fles te schrijven… De smaak was behoorlijk geweldig, de kleur mooi, en beide hadden een fijne bubbel. Net echt. Eén van tweeën was significant lekkerder dan de ander, ik meen dat het de Fruitbest was, maar voor het zelfde geld was het de ander.
Meer met
Leuk, die metworst van meneer. Maar net niet helemaal met genoeg. In zijn jaren ’50 slagersboek trof hij een metter exemplaar aan. Een worst die je maakt zonder te mengen.
- 400 gram runderlappen
- 400 gram varkens kinnebakspek
- 200 gram varkensschouder
- 25 gram nitrietzout
- 3 gram zwarte peper
- 2 gram dextrose
Het goed gekoelde vlees werd één maal gemalen met de 3 mm schijf. Om de kruiden er voorzichtig door te mengen, met een minimum aan beweging adviseert het boek er met de vuisten in te stompen. In de jaren ’50 waren slagers nog echte mannen. Maar met een kilootje vlees, en de fysiek van meneer, kneus je daarmee al snel je polsen op de bodem van de mengkom. Een beetje met de vingers prikken dan maar. Daarna ging de pasta goed aangedrukt de koelkast in, voor 24 uur. Weer zonder te mengen, of te stompen, perste meneer deze vervolgens in een kunstdarm. Twee dagen boven de verwarming in een zakje, weer koelen en aansnijden maar.
Deze methode moest in de ultieme metse rulheid resulteren. And so it did. Zo rul zelfs dat meneer er de darm niet vanaf kreeg zonder de worst aan stukken te trekken. Na een poosje oefenen bleek de ‘pleister’ methode, één snelle ruk, te werken. De worst werd pijnlijk, maar zonder schade, van zijn darm ontdaan om vervolgens bij onvoorzichtig aansnijden alsnog in elkaar te storten.
Ver-schrik-ke-lijk lekker, dat wel.
Grove metworst
Meneer voelt het weer een beetje kriebelen. Die drukkende drang tot worstmaken, ergens in zijn onderbuik. Bekende worsten maken, nieuwe worsten. In de afgelopen dagen maakte hij maar liefst vier keer worst: één workshop, twee demonstraties en een huisgemaakte metworst. Die laatste ging ongeveer zo. Doet u mee?
- 400 gram runderlappen
- 400 gram varkens buikspek (speklap)
- 200 gram varkensschouder
- 25 gram nitrietzout
- 3 gram zwarte peper
- 2 gram koriander
- 1 gram foelie
- 2 gram dextrose
Het rundvlees maalde hij met een fijne (2mm) plaat en al het varkensvlees grof (5 mm). Niet te veel mengen, een metworst mag een beetje rul zijn. Het geheel werd in een (ademende) kunststof darm boven de verwarming gehangen. Plastic zak er omheen voor een hoge luchtvochtigheid. Daar hing hij circa 48 uur op 23-24 graden. Na doorgekoeld te zijn in de koelkast ging het mes erin. Een fraaie snede, al zegt meneer het zelf. #hijrocktweeralseenmalle. De binding was eigenlijk een beetje te goed. Dat is niet snel het geval, behalve dus bij metworst. Wat minder lang mengen dus, om die fijne losse structuur te krijgen. De smaak was heel niet onaardig, maar had wat meer ‘oemph’ mogen hebben. Volgende keer meer kruiden. En dan te bedenken dat het recept dat hij losjes gebruikte een hálve gram foelie en evenveel koriander adviseert. Laffe bedoening daar in 1955.
Drie keer raden wat meneer zo meteen gaat doen.



























