De wildplukwijzer is vernieuwd!
Gratis, lekker, biologisch, onbespoten en foodmile-loos voedsel. Dat is het doel van de geheel vernieuwde Wildplukwijzer. Nederland hangt namelijk vol met gratis noten en fruit: een appelboom in het plantsoen om de hoek, die walnoot in het stadspark en de braam of vlier langs de spoorbaan. Maar hoe vind je ze? Via de Wildplukwijzer natuurlijk, als sinds 2009. En per vandaag gaat dat zelfs nog makkelijker, want de Wildplukwijzer is vernieuwd!
De oude wildplukwijzer groeide uit haar voegen. Er stonden inmiddels zo veel bomen en planten op (dank!) dat Google ze over drie verschillende pagina’s verdeelde. Dat was onhandig. En wat meer functionaliteit, bijvoorbeeld zoeken op type vrucht of seizoen, was ook van harte welkom. Wat wil het toeval: dat, en nog veel meer, is nu beschikbaar in de nieuwe wildplukwijzer! Via www.wildplukwijzer.nl en een aan de site gekoppelde android app kun je alle openbare fruitbomen en -struiken, notenbomen en verdwaalde komkommerplanten in Nederland vinden, en helpen in kaart te brengen. De kaart is openbaar, iedereen kan zelf bomen, struiken of kruiden toevoegen. Helemaal 2.0. Helemaal eenvoudig. Pluk naast de Petteflat!
Nieuwe functies:
- Alle plukplekken in één overzicht
- Zoeken op soort, bijvoorbeeld appels, kastanjes of kraailook
- Zoeken op seizoen, alleen plukplekken laten zien waar op dit moment wat te plukken valt
- Per soort een verwijzing naar de betreffende lemma van de Wildplukwiki van Oogsten zonder Zaaien. Én andersom, vind bij elke beschrijving op de wildplukwiki onmiddellijk een plukplek bij jou in de buurt
- Foto’s van plukplekken, daardoor nog makkelijker terug te vinden
- Zoeken op adres
- Een android app, waardoor je ook op de fiets plukplekken kunt vinden én markeren. (Handig met iOS, wildplukenthousiast, tijd over? Laat van je horen!)
Het technisch ontwerp van de site is van de hand van C.H. Bos, de grafische vormgeving werd gedaan door Ewout Fernhout.
Garage van melk en honing
De aanwezigheid van een Spaanje jamon in meneer’s garage bleef niet lang onopgemerkt. Buiten zijn zicht, aan de achterkant bleek een muizenfamilie zich al weken te goed te doen aan deze delicatesse. Een delicatesse die eigenlijk bestemd was voor workshopdeelnemers. Maar wat waren ze schattige, de muisjes. En wat renden ze guitig tegen de muren op. Dat heeft meneer zijn workshopdeelnemers nog nooit zien doen. Dus vooruit, sin rencores. De jamon ging in de prullenbak, dat wel. Er zijn grenzen aan meneer’s vrijgevigheid.
Weken later renden de muisjes nog altijd guitig tegen de muren op. Inmiddels soms met wel zeven tegelijk. Ze ritselden en piepten verstoord als meneer zijn garagedeur open deed. Het kostte hem steeds meer moeite zijn auto te bereiken door de krioelende lijven op de vloer. Toen keek meneer eens in zijn prullenbak. Een prullenbak die zich diezelfde garage bevond en waar nog altijd een hoefje uit stak. Meneer trok de jamon aan zijn hoefje omhoog. Verdwenen. Op. Of hard daar naartoe op weg in ieder geval. Meneer had het paradijs gecreëerd, een garage van Melk en Honing. Het werd tijd om paal en perk te stellen, zijn garage terug te heroveren op het knaagdierenvolk. De ham, of wat ervan resteerde, ging weg met het grof vuil, meneer dichtte de gaten in zijn muren plaatste de muizenval van de kennis van Goed en Kwaad. No more señor nice guy.
Wadwadwad, wad wil je doen dan?
Iets Stoers doen, iets Mannelijks. Watpleegtons (m, 13) is maar eens per maand in huize Wateetons. Leren autorijden, check. Klimmen, check. Karten, check. Winterkamperen, check. Dit weekend reden we daarom naar Groningen. Terwijl dochter en mevrouw Wateetons ohenahde bij de zeehondjes trokken Pleegt en meneer hun laarzen aan en kraag omhoog. Wadlopen. Winterrrrr-wadlopen, mensen. Twee uur, een beginnerstochtje volgens de gids, door het slik en over eindeloze zandvlakten waar de wind giert en het februariwater striemt. Mooi en indrukwekkend. Zelfs, of zeker, als je na tien minuten al twee keer op je muil in de modder gevallen bent en je de eerste golven over de rand van je laarzen voelt klotsen. Die half gevulde plastic tas met zelfgeraapte oesters, kokkels en mosselen maakt een hoop goed. McDonalds onderweg naar huis en een stevige schelpdier-op-een-bedje-van-zeezandsoep des avonds. Kroon op je dag. Maar helaas, stoer of niet Watpleegtons durft het niet te proeven: “elke keer als ik bij jou iets nieuws eet ben ik de volgende dag ziek.”
Toch een beetje trots.
Erratum
Ah shit, dit was een goede aanvulling voor het Handboek voor de Vinex-jager geweest. De volgende editie dan maar. Let op, de temperatuur is in Fahrenheit. Anders wordt hij te droog.
Fallus-hunten met Casa Foresta
Mooie tijden, gisteren in het Sonsbeek park te Arnhem. Meneer mocht met Edwin Florès (hoe komt iemand toch aan zo’n naam) van Casa Foresta het bos in om paddenstoelen te leren herkennen. Meneer voegde de rodekool zwam, smakelijke russula, fopzwam, stobbezwam en sombere honingzwam toe aan het handjevol dat hij al kende. Maar de erecte kroon op zijn myclogische middag, de Spaanse kraag op zijn huntersoutfit was de bospik.
De bospik. Ook wel Grote Stinkzwam of phallus impudicus genaamd, doet alle vormen van zijn naam eer aan. Geboren uit een al evenmin erg aantrekkelijk en slijmerig ‘duivelsei’ wasemt hij, fier in de wind, met een beschimmelde kop een niet te harden aas- of camembertgeur uit. De bospik is derhalve de enige paddenstoel die zelfs voor een visueel gehandicapte hunter makkelijk te herkennen is. Bovendien zie ik een grote rol voor hem weggelegd in de acceptatie van onze minder bedeelde medemens. Waar de headset al bijdroeg aan normalisering van de schizofrene zelfpratende grote stadsdwaler (“oh, hij is gewoon aan het bellen”), kan de phallus impudicus de eventuele bijkomende onwelriekendheid verklaren. “Hij stinkt helemaal niet, hij is gewoon paddenstoelen aan het hunten! In de vuilnisbak.”
Meneer leest een boek: het paddenstoelenboek
Meneer koopt ze al jaren met enige regelmaat: paddenstoelenboeken. Met elke keer hetzelfde goede voornemen: meneer wordt ‘hunter’. Maar elke keer eindigt hij met goed gevulde kast maar een leeg mandje. Steeds met dezelfde reden. Het boek bevat steevast bladzijden en bladzijden vol paddenstoelen die voor de beginnende hunter allemaal op elkaar lijken. Eetbaar, oneetbaar of giftig. Nederlands, centraal-Aziatisch of oud-Pools. Algemeen, zeldzaam of uitgestorven. Een overdaad aan informatie. Meneer ziet door de russula’s de cantharellen niet meer waarna het boek in de kast en meneer in een mycologische depressie verdwijnt.
Tot hij Het Paddenstoelenboek van Edwin Flores, van Casa Foresta in handen kreeg. Edwin pakt het anders aan. Hij heeft niet het alomvattende mycologisch standaardwerk willen maken. Edwin beperkt zich tot twintig paddenstoelen. Allemaal eetbaar, allemaal in Nederland te vinden, en allemaal nauwelijks te verwarren met een giftige variant. Een briljant idee, in z’n eenvoud. Want Edwin snapt dat de meeste van ons alleen maar in paddenstoelen geinteresseerd zijn omdat we ze willen eten. En als alle zeldzame linksdraaiende varianten van de giftige bekerzwamknolamanietdinges dat niet zijn, dan willen we daar ook niks over te lezen.
Uniek aan dit boek is verder dat Edwin ons ook nog eens leert hoe je je eigen (eetbare) paddenstoelen kunt kweken, met een prefab baaltje of door je eigen boomstammetjes te enten. Het bevat ook mooie recepten, fraaie foto’s en geinige tekeningetjes van van Yvette van Boven. Het enige dat meneer miste was een jaarkalender, waarin duidelijk te zien is welke paddenstoel wanneer te vinden is. En, vooruit, misschien een goede editor, want Edwin is weliswaar ’s lands grootste hunter maar niet de grootste writer.
En het geschiedde: na het bladeren door Het Paddenstoelenboek was meneer nog steeds vol goede moed. Geen depressie, geen system overload. De paden op, de lanen in! Hunten.
Op jacht
Was de recente regen toch ergens goed voor. Uit de grasmat van Landgoed In den Drie Wateetonschen, waar meneer zomers zijn weekenden doorbrengt plopten plots de paddenstoelen. Meestal negeert meneer die maar een beetje. Hoewel hij afgelopen herfst rond de twintig verschillende soorten ontdekte wist hij er geen een met zekerheid te determineren. En aan u had hij ook niet veel. Maar meneer vond onlangs een aardig boek bij de witte boeken markt (bij gebrek aan een iphone voor de app van Casa Foresta). Daaruit leerde hij dat die prontig behoede stoeltjes boleten waren. Bij nadere beschouwing stond het hele terrein vol met boleten. En ‘boleten kun je eten!’ Enthousiast geworden ging meneer verder speuren. Ook in dat verwaarloosde stukje land van ongeveer 500 m2 achter zijn huis, waar al dertig jaar de bomen gewoon mogen omvallen en nooit een blad of tak wordt opgeruimd. Daar trof hij, in het meest verwaarloosde hoekje van dit verwaarloosde bos de kroon van elke paddenstoelenmand, de enige eetbare paddenstoel die meneer zelfs zonder een boek zou hebben herkend: de cantharel.
ps. doe ‘s effe helpen. Wat is dit? Zeer talrijk, smakelijk ogend, maar meneer kwam er niet achter wat het was. Een gewone krulzoom misschien?
Een megaei hoort er megabij
“Ik kan niet garanderen dat er geen kuikentje inzit”. Ewout van Oogsten zonder Zaaien (twitter) aan de telefoon. Of meneer een paar ganzeneieren wilde. Vers geroofd, in samenwerking met Staatsbosbeheer, uit nesten in de buurt van Hoorn. “Ik sta op de brug”. Tien minuten later stond ook meneer op de brug, met acht knoeperts van eieren uit de tot de nok toe gevulde ovo-knapzak die Ewout over een afstand van 27 kilometer op zijn frêle schouders had meegetorst. En hij moest er nog tien. De held.
To kuiken or not to kuiken? Gelukkig had meneer nog ergens een boekje met wat tips (‘het boek van de vinex-slager’ ofzo). Zoals: leg het ei in 10% zoutoplossing. Een oud of ver ontwikkeld ei drijft meer dan een vers ei. Wat bleek: alle eieren bleven keurig op de bodem liggen, met slechts een lichte variatie in de hoek. Uiteindelijk schatte meneer dat hij volgens deze methode mogelijk misschien wellicht vier vergevorderde, drie halfgevorderde en één helemaal vers ei had. Methode 2: follow the light. Tegen het lamplicht houden werkte in ieder geval niet, de eieren bleven volledig ondoorzichtig. Gelukkig wilde dochter Wateetons haar MegaMindy zaklantaarn wel ter beschikking stellen. Samen schenen we onder een stapel dekens door de eieren. Dat werkte beter, hoewel we misschien ook goede resultaten hadden geboekt met een drijftest onder de dekens. Het resultaat: vijf eieren met een verdacht grote donkere vlek en drie die bijna volledig doorschijnend waren.
Meneer kookte zowel een donkergevlekt als een doorschijnend megaei en kneep ondertussen vast een citroentje uit. Een ganzenei moet ongeveer een kwartier koken. Het ‘verse’ doorzichtige ei woog 170 gram, inclusief de dikke harde schil, die stevig aan het eiwit vast zat. Er zat een gigantische dooier in. Het ei oogde en smaakte opvallend gewoontjes, alleen de geur was wat sterker dan die van een kippenei. Zoals verwacht was er geen spoor van een embryo te zien.
Licht nerveus opende meneer ook het andere ei, wat zou hij aantreffen?
Denk ‘ns dat het een jongetje is
Dat je daar gaat staan bakken
Denk ‘ns dat het je broertje is
Dat zacht sist in de pan
Denk ‘ns dat ‘ie verkrampt uit angst
De rand probeert te pakken
En dat ‘ie dan terug in de boter glijdt
Wat dan, wat dan… ?
Nou niks.
De donkere vlek bleek niet meer dan een paar plekjes bloed aan de rand van de eidooier, die dicht tegen de binnenzijde van de schil zat. Geen embryo, geen kuikentje dat verkrampt uit angst de rand probeert de pakken, geen Balut-ei. Gewoon een eidooier.
En dan nu, een megacake!
meneer leest een boek
U weet het, meneer tracht zich momenteel een beetje te bekwamen in het wildplukken. Door het volgen van een cursus, door er op eigen houtje met google images op zijn telefoon op uit te trekken, maar ook door het aanschaffen van wildplukboeken. Want die bestaan. Er is niets nieuws onder de zon.
Ria Loohuizen – Van Nature (2009)
Van mevrouw Wateetons kreeg meneer Van Nature, van mevrouw Loohuizen. Haar zevende schrijfsel over eten uit het wild. Er is écht niets nieuws onder de zon. Het boek is opgedeeld in vier delen (1) bomen, struiken en hun vruchten, (2) planten en bloemen, (3) paddestoelen en (4) recepten, voorafgegaan door een uitgebreide inleiding. Het receptendeel omvat ongeveer de helft van het boek. Meneer heeft lang zitten denken wat hij nou precies van Van Nature vond. Het boek is informatief, helder geschreven en nuchter. Geen kruidenvrouwtjesgewauwel of sandalensentimenten. En meneer weet inmiddels het een en ander over het Barbarakruid en de kleine Klis. Dat is winst. Maar sprankelen? Een pageturner? Meneer die ‘s avonds voor het slapen gaan nog even een Riaatje doet? Nee. ‘Degelijk’ is dan misschien wel de juiste omschrijving. Het is de vraag hoe erg dat is. Niet iedere culinair publicatie hoeft zich te meten aan het aantal grappen per vierkante paragraaf van Het Handboek voor de Vinex-jager. Maar toch, een heel klein beetje meer avontuur of humor zou welkom geweest zijn. Wat wel erg is, is het gebrek aan foto’s. ‘t Is fijn om te weten dat je de Kleine Pimpernel vindt op droge grasvelden, maar hoe ziet die eruit? Zonder natuurgids kom je met dit boek als leidraad waarschijnlijk met lege handen thuis. Aan de andere kant, die foto’s heb je natuurlijk snel genoeg bij elkaar gegooglet. Er staan weliswaar een aantal 18e eeuwse illustraties uit de Hortus bibliotheek in het boek maar die zijn, naast incompleet, eigenlijk niet bruikbaar. Bovendien geven ze een ouwelijke, degelijke, uitstraling.
Hanneke Videler -Eetbare natuur (2011)
Wat Ria niet heeft, heeft Hanneke wel. Of althans, een beetje. Want ook in het boek van Hanneke Videler ontbreken de illustraties. Maar dat is minder erg. Het boek behandelt namelijk niet alleen planten en struiken maar ook de Nederlandse eetbare fauna komt ruimschoots aan bod. En hoe een konijn of vos eruit ziet, dat weten de meeste mensen wel. Bovendien is eetbare natuur, veel meer dan Van Nature, een leesboek. Een boek dat je wél naast je bed hebt liggen om ‘s avonds nog een stukje uit te lezen. Omdat je wilt weten hoe je gevulde relmuis klaarmaakt, of dat vos eigenlijk prima smaakt ondanks dat jagers daar anders over denken. Het boek is opgedeeld in eieren, wild (vogels en zoogdieren), zoet- en zoutwaterwezens en plantaardigheden. Informatieve, vaak met aardige anekdotes doorspekte stukjes over bijvoorbeeld het meeuwenei of het damhert, worden gevolgd door recepten met een persoonlijke touch (van het type “mijn oma maakt het zo klaar”). Na verloop van tijd merkte ik dat ik de recepten steeds vaker oversloeg en me haastte naar de beschrijving van de zoetwatermossel. Een leesboek dus. Vermakelijk, maar met een wat lage informatiewaarde en bruikbaarheid. Want hoe je een vos vangt, of aan een otter komt wordt niet vermeld. En ook hier geen illustraties van Look-zonder-Look of het Zeekool. De kans dat je, louter met dit boek in de hand, ‘s avonds met een goedgevulde knapzak de keuken instapt is net als in het geval van Van Nature niet zo vreselijk groot. Misschien zelfs nog wel kleiner. Maar leuk om te lezen is het wel.























